zaterdag 2 mei 2015

Wat is nou toch dat ‘neoliberalisme’ dat iedereen verkeerd begrijpt?

Op Joop.nl verschijnt een eindeloze stroom artikelen waarin men groteske onzin over het liberalisme debiteert op grond van een klaarblijkelijk universeel onbegrip over het ‘neoliberalisme’: telkens wordt het neoliberalisme aangewezen als de bron van al het kwaad in de wereld maar men begrijpt niets van de relatie ervan met het liberalisme of wat het neoliberalisme (of liberalisme) überhaupt is. Zo meent bv. Caspar Visser ’t Hooft dat liberalisme synoniem is met neoliberalisme en daarmee antidemocratisch is (http://www.joop.nl/opinies/detail/artikel/31926_de_democratie_ligt_voor_ons/) en meent Theo Brand op omgekeerde wijze dat het liberalisme juist tegenover kapitalisme staat en dat het socialisme het echte liberalisme is (http://www.joop.nl/opinies/detail/artikel/31951_hoelang_verwarren_we_liberalisme_nog_met_kapitalisme/). Ik zal daarom uitleggen hoe het zit en als nu de auteurs van Joop.nl dit stukje zouden lezen (quod non) dan zou dat de mate van onzin op Joop enorm kunnen doen dalen (en dus de kwaliteit op Joop enorm kunnen doen stijgen).

Allereerst: men vat het neoliberalisme steevast simpelweg op als de huidige vorm van het liberalisme, maar het liberalisme is een politieke ideologie terwijl het neoliberalisme een economische theorie is. Dat maakt al dat je die twee zaken dus goed moet scheiden. Het feit dat het neoliberalisme een economische theorie is, verklaart ook waarom ook andere dan liberale partijen – van een conservatieve partij als het CDA tot een van oudsher sociaal-democratische partij als de PvdA – kunnen geloven in het neoliberalisme. In feite is het neoliberalisme een reactie op de economische theorie van Keynes en aan haar tegengesteld: de Keynesianen willen de economie stimuleren door de vraagzijde van de economie te stimuleren (hoger loon, overheidsinvesteringen in slechte tijden) en in reactie daarop willen de neoliberalen de economie stimuleren door de aanbodzijde van de economie te stimuleren (minder overheidsbemoeienis met de economie door privatiseringen en minder belasting voor het bedrijfsleven). In de kern lijkt het meningsverschil tussen de twee economische scholen de kwestie van inflatie/deflatie te betreffen: de Keynesianen streven naar inflatie en de neoliberalen streven naar deflatie (en uiteindelijk is er zelfs een verschil van opvatting over wat het woord ‘inflatie’ of ‘deflatie’ nu eigenlijk betekent). De neoliberalen bekritiseren de Keynesianen omdat de Keynesiaanse economie eindeloze inflatie voortbrengt (door steeds meer geld op de markt te brengen) hetgeen zij een gevaarlijke weg (inflatie creëert zeepbellen en economische instabiliteit) en een doodlopende weg achten omdat onder Keynesiaans beleid de schulden steeds groter worden (de Keynesianen moeten ook voortdurend kunstmatig de inflatie blijven aanjagen om de groeiende schulden van de Staten hanteerbaar te houden: dit is de financiële crisis in de EU) en uiteindelijk onhoudbaar wordt in een globaliserende wereld waarin we moeten gaan concurreren met lagelonenlanden. Omgekeerd creëert deflatie een ‘terug naar de reële economie’-ontwikkeling zonder telkens die zeepbellen en stimuleert het sparen waardoor meer kan worden geïnvesteerd en zo de welvaart vergroot.

Op hun beurt hebben de (neo-)Keynesianen uiteraard weer hun argumenten voor inflatie en tegen het neoliberalisme, maar ik wil maar aangeven dat het hier economische theorieën betreft die als zodanig niet direct aan een politieke ideologie kunnen worden gekoppeld. In feite zien we dat de populariteit van deze economische theorieën steevast door bijna alle partijen loopt: in het naoorlogse westen domineerde de Keynesiaanse theorie de hele politiek en sinds de jaren ’80 domineert het neoliberalisme de hele politiek. Maar in de praktijk zien we toch ook dat Keynes vooral een bij links populaire theorie was (en bij wellicht de SP nog steeds is, al heeft de PvdA zich inmiddels grotendeels met het neoliberalisme verbonden) terwijl het neoliberalisme alom als een ‘rechtse’ theorie wordt ervaren. In feite sluit het neoliberalisme vooral bij het conservatisme in plaats van het liberalisme aan. Dat kan men al zien doordat het neoliberalisme populair werd als gevolg van de val van de Muur en de globalisering: de val van de Muur betekende een einde van de linkse ideologieën die geloofden in de maakbaarheid van de samenleving (en een ruimhartig uitkeringsbeleid voor de werklozen). De neoliberalen haastten zich bij de val van de Muur om hun gelijk te halen: ‘zie je wel, van overheidsbemoeienis komt slechts dictatuur’ en ‘de economische werkelijkheid is te complex om te kunnen worden gemanaged, je moet de natuur – de markt – zijn gang laten gaan want die selecteert zelf het goede’. Weliswaar verwezen zij hiervoor naar de ‘klassieke’ theorieën van 19de eeuwse liberalen als Adam Smith – vandaar de term ‘neoliberalisme’ – maar politiek waren het vooral conservatieven (en niet de liberalen) die bijna als wraak tegen de communisten het neoliberalisme als de tucht van de markt tegen elke ‘communistische’ regulering van bovenaf omarmden en implementeerden. Men denke bv. aan de zeer conservatieve leiders Reagan en Thatcher (die niet bekend staan als ‘liberals’).

Het conservatisme was aanvankelijk tegen het liberale idee van de vrije markt (dat werd geopperd tegen het toen gangbare mercantilisme), maar omarmde deze vrij snel toen men erkende dat de vrije markt ‘natuurlijk’ was, want het conservatisme is vooral een anti-ideologie die is gebaseerd op een diep wantrouwen tegen elk menselijk ingrijpen in de natuurlijke of door God gegeven orde der dingen - en dit geeft al weg dat het hierboven vermelde argument voor de vrije markt een typisch conservatief (en geen liberaal) argument is. Maar er is een belangwekkend verschil tussen het kapitalisme van de conservatieven en het kapitalisme van de liberalen. Het conservatisme wil de sociale hiërarchie in stand houden en acht eigendom wezenlijk voor iemands persoonlijkheid: mensen moeten hun plaats kennen, je bent wat je bezit en rijke mensen hebben hun rijkdom verdiend. Het liberalisme is daarentegen een echte ideologie die als zodanig de maatschappij helemaal op zijn kop wil zetten (en dat ook heeft gedaan) op grond van een fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen: alle mensen moeten gelijk worden behandeld. Het liberalisme wil sociale mobiliteit – ‘The American Dream’! – en gelijke rechten en kansen voor iedereen. Een belangrijke en vaak over het hoofd geziene liberale revolutie is zijn individualisering van eigendom: voorheen was eigendom een familieaangelegenheid zoals het conservatisme dat nog steeds geneigd is op te vatten - zie bv. de eeuwige conservatieve woede over de typisch liberale erfbelasting (het ging erom het kapitaal in de familie c.q. eigen gemeenschap te houden, waartoe in traditionele samenlevingen nog altijd de ouders zelf hun dochters uithuwelijken), maar het liberalisme maakte het individu en zijn eigendom bewust los van zijn familie en gemeenschap (het liberale ‘right to exit’) zodat de klassenmaatschappij werd vernietigd, sociale mobiliteit mogelijk werd en het vrijwillig gesloten contract der huwelijk in de plaats kwam van de gedwongen uithuwelijking (terzijde: dat maakt het vaak als liberaal voorgestelde multiculturalisme toch wezenlijk antiliberaal, want het multiculturalisme gelooft net als het conservatisme dat het individu zich slechts kan ontplooien binnen zijn etnisch-culturele gemeenschap met anderszins ‘ontworteling’ van het individu). Zowel het conservatisme als het liberalisme zijn dus kapitalistisch maar om een tegengestelde reden: het conservatisme streeft naar kapitalisme als de accumulatie van kapitaal in de handen van de bezittende klasse (zoals Marx het kapitalisme ook opvatte), terwijl het liberalisme streeft naar kapitalisme als het recht op persoonlijk eigendom/gewin waardoor sociale mobiliteit mogelijk wordt en de klassen verdwijnen.

Eenzelfde verschil zien we in de houding jegens de vrije markt zelf. De liberalen hebben de vrije markt bedacht en bepleit om daarmee de ongelijkheid tussen de mensen te verkleinen: als bv. iedereen bakker kan worden en zo winst kan maken door brood te verkopen, dan zal een vrije markt vanzelf de goedkoopste en/of beste bakker selecteren die de rest uit de markt concurreert waarvan de (arme) consument profiteert omdat hij zo kwaliteit krijgt tegen de laagste prijs. Maar een liberale econoom als Adam Smith besefte al terdege dat precies daarom ondernemers alles zullen proberen om de vrije markt te saboteren of op z’n minst te manipuleren teneinde hun winsten groter te maken dan het minimum aan winst of zelfs faillissement die een vrije markt voor hen realiseert. In feite is bv. reclame zo’n (door de liberaal nog getolereerde) poging tot manipulatie van de markt, maar wat een liberaal zeker niet kan tolereren zijn monopolieposities en prijsafspraken achter de schermen. Een van de boeiende paradoxen van het liberalisme is dan ook dat zo’n vrije markt (en een liberale samenleving überhaupt) best veel overheidsbemoeienis vergt, want de overheid moet er onder meer op toezien dat de ondernemers het spel eerlijk spelen en niet gaan samenspannen tegen de consument! Er wordt wel gezegd dat Adam Smith niet voor niets naast zijn economische theorie ook een moraaltheorie leverde, omdat de vrije markt niet zonder regulering kan, idealiter in de vorm van moraal dus zelfdiscipline en anders in de vorm van een toezichthoudende overheid als marktmeester. In feite zien we dat het liberalisme gedurende de 20ste eeuw steeds socialer werd en daarmee steeds meer overheidsbemoeienis tolereerde om de ongelijkheid te verkleinen: het liberalisme was bv. gevoelig voor de opvatting dat gelijke rechten niet voldoende was maar dat iedereen gefaciliteerd moest worden om daadwerkelijk gelijke kansen te hebben, e.d. Onder invloed van de romantiek achtte het ‘moderne’ liberalisme het individu niet meer zozeer gelijk als wel uniek zodat elk individu zijn unieke talenten moet kunnen ontplooien, waartoe de overheid de voorwaarden moet scheppen, en reeds de 19de eeuwse ultieme liberaal J.S. Mill stond zeer sympathiek tegenover het socialisme. Sommigen opperden – wellicht niet ten onrechte – dat het communistisch want klassenloos paradijs in de vorm van de naoorlogse welvaarts- en verzorgingsstaat waarin iedereen gelijkwaardig is niet in de Sovjet-Unie maar in nota bene de VS inmiddels was gerealiseerd, hetgeen Bell bracht tot zijn hypothese van het ‘einde van de ideologie’ (zoals ook Marx meende dat ideologie ten einde is zodra de klassenstrijd is verdwenen) en hetgeen later zou leiden tot het door veel sociaal-democratische partijen omarmde 'Derde Weg' die ook liberale, conservatieve en zeker ook neoliberale elementen bevat. Conservatieve, ten tijde van de Koude Oorlog vaak rabiaat anti-communistische, mensen zagen deze liberale ‘toegeving’ aan het socialisme of zelfs versmelting van liberalisme en socialisme na WO II (zoals bv. ook bij Rawls’ invloedrijke rechtsfilosofie) als verraad waardoor zij het ‘harde’ 19de eeuwse klassieke liberalisme herclaimden in de vorm van het neoliberalisme. Maar hun opvatting van het liberalisme is niet die van de 19de eeuwse klassieke liberalen zoals Adam Smith: zoals altijd gebruiken conservatieven de revolutionaire concepten van andere ideologieën (zoals nationalisme, democratie, nivellering, etc) juist om de revolutie te smoren zodat ook hier de conservatieven het liberale, revolutionaire concept van de vrije markt gebruiken om de ongelijkheid te behouden (of zelfs te vergroten of te herstellen). Door in naam van de ‘vrije markt’ alle overheidsbemoeienis, dus regulering, te elimineren wordt vrij baan gegeven aan de bezittende klasse om haar bevoorrechte positie te behouden en uit te buiten omdat zonder overheidsbemoeienis het kapitaal kan samenspannen tegen de consument en zelfs tegen de democratie/burger. 

De verwarring van links lijkt aldus te bestaan uit het feit dat zij geen onderscheid maakt tussen politiek en economie en ook niet tussen liberalisme en conservatisme: alles wat niet socialistisch (dus ‘sociaal’) is, is rechts dus liberaal (en ‘a-sociaal’). Links Nederland, zoals te zien op Joop.nl, erkent vreemd genoeg geen conservatisme als rechtse ideologie naast het liberalisme (waarschijnlijk omdat in veel opzichten de meest conservatieve partij, de VVD, zich misleidend profileert als een liberale partij; de ‘echte’ liberale partij in Nederland is D’66) en beseft onvoldoende dat het liberalisme behoorlijk links is (zoals de Amerikanen zich wel bewust zijn van het conservatisme en daarmee ook weten dat het liberalisme behoorlijk links is). Een goed begrip van het ‘neoliberalisme’ vereist echter kennis van het verschil tussen conservatisme en liberalisme, zoals ik heb uiteengezet: het neoliberalisme is (net als het libertarisme trouwens) geen liberaal concept maar een instrument van het conservatisme. En zoals ik in http://gebandvanjoop.blogspot.nl/2015/04/de-vernedering-van-de-rechtsstaat-en-de.html al betoogde, waait er een conservatieve wind door de politiek zodat in deze tijd bijna alle partijen ontvankelijk blijken voor de politiek-economische ideeën van het neoliberalisme.

Tot slot nog even korte opmerkingen over de andere relaties waar de genoemde Joop-auteurs over spreken. Zo is het socialisme niet een soort of zelfs het ware liberalisme, zoals Theo Brand betoogt: het socialisme wenst een fundamentele herverdeling van de welvaart omdat alle mensen gelijkwaardig zijn en dus ongeveer even veel ‘verdienen’ (‘gelijkheid van uitkomst’; iedereen moet zo veel krijgen als hij nodig heeft) terwijl het liberalisme een meritocratie voorstaat waarin mensen gelijke kansen moeten krijgen (gelijkheid van uitgangspositie) maar waarin elk individu het recht heeft zo veel persoonlijk inkomen te verwerven als hij maar kan of wil. In extremo: het socialisme acht eigendom diefstal (zoals Proudhon schreef) en de bron van al het kwaad in de wereld (zoals bv. Rousseau al betoogde), terwijl het liberalisme het recht op (accumulatie van) eigendom een fundamenteel mensenrecht acht. En – tegen Caspar Visser ’t Hooft – merk ik op dat het liberalisme min of meer synoniem is met de rechtsstaat dus de bescherming van de rechten en vrijheden van het individu (en een overheid wiens bemoeienis met de burger zich beperkt tot het rechtspreken bij schendingen van die rechten en vrijheden waardoor die rechten en vrijheden worden hersteld). Omdat het liberalisme iedereen autonomie (zelfwetgeving) en gelijke rechten geeft, volgt de democratie in wezen al uit de rechtsstaat. Wel is het zo dat de liberalen van oudsher argwanend en met enige angst naar de ‘massa’ kijken: waar het socialisme populistisch is (‘macht aan het volk’), is het liberalisme van oudsher anti-populistisch: de rechtsstaat dient juist primair het individu en de minderheid te beschermen tegen de democratie als ‘tirannie van de meerderheid’ en het liberalisme ziet dan ook liever een ‘dunne’ democratie waarin de bevolking eens in de zo veel tijd hun goed- of afkeuring mag uitspreken over de zittende regering dan dat de massa bepaalt wat de regering moet doen (maar met het neoliberalisme heeft dit alles niets te maken).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen