vrijdag 15 mei 2015

Wie redt ons van de zesjescultuur?

Joop.nl houdt ervan de wereld op z’n kop te zetten. Ditmaal betoogt docent en columnist Pascal Cuijpers dat – samengevat – we in een prestatiecultuur leven (we “moeten uitblinken” en “gewoon zijn” is een “ongeaccepteerd gegeven geworden”) waarbij staatssecretaris Dekker “met het oog op de kenniseconomie” “niet schroomt om te investeren in de top der excellentie” “ten koste van de grote massa onder de metaforische wateroppervlakte”: http://www.joop.nl/opinies/detail/artikel/32158_de_nationale_grootheidswaan_van_het_moeten_uitblinken/. Niet alleen lees ik hier een hoop onzin (en slecht Nederlands) maar er worden ook allerlei zaken door elkaar gegooid die niets met elkaar te maken hebben. In werkelijkheid zijn we afgegleden naar een bedroevende ‘zesjescultuur’ en dienen getalenteerden juist meer mogelijkheden tot zelfontplooiing te krijgen.

Cuijpers geeft aldoor voorbeelden van TV-programma’s waarin kinderen “excellente kunstjes” tonen. Nu is het beslist waar dat er een pervers soort entertainmentindustrie is ontstaan die kinderen exploiteert om volwassenen te vermaken met in wezen imitatie van volwassen gedrag: van schoonheidswedstrijden voor kleuters tot wonderpeuters die Rachmaninoff foutloos spelen, het publiek smult ervan. Maar dit alles is bovenal entertainment die niets met ons onderwijs of de kenniseconomie te maken heeft en in zekere in een corruptie van het kind is: je zou het een soort kinderporno kunnen noemen. Maar in plaats van de veroordeling van dit soort entertainment te onderbouwen – je vindt op internet bv. genoeg zangpedagogen die vertellen waarom je een kind helemaal geen opera moet laten zingen – gebruikt Cuijpers het slechts om zijn socialistische punt te maken die niets met de entertainmentindustrie te maken heeft: iedereen is gelijk en we zouden geen competitie met elkaar moeten hoeven leveren. Competitie is uiteraard het liberale adagium waar het socialisme samenwerking voor in de plaats stelt. In het bijzonder is het verband met de evolutietheorie interessant: Spencer vond in ‘the survival of the fittest’ (een term van Spencer zelf) een naturalistische rechtvaardiging voor competitie tussen individuen zoals in het kapitalisme, terwijl Kropotkin meende dat de natuur laat zien dat soorten pas succesvol worden als ze samenwerken zodat de mens alleen in het communisme verder zal komen. Ik denk dat beide – competitie en samenwerking – belangrijk zijn om verder te komen (al wil Cuijpers overigens misschien helemaal niet verder komen) en dat beide in de moderne wereld een belangrijke rol spelen, waartoe ik het volgende cultuurgeschiedenisje als voorbeeld geef.

Zo lijdt het geen twijfel dat de oude Grieken hun welhaast bovenmenselijke filosofie, kunst en wiskunde, waarmee ze ons nog altijd imponeren, tot stand brachten vanwege de uiterst competitieve – of ‘agonale’ – aard van hun beschaving: ze maakten in feite overal een wedstrijd van waardoor getalenteerde individuen werden geprikkeld om beter dan de ander of hun voorganger te zijn (en anders dan wij die geneigd zijn iedereen een prijs te geven – desnoods een ‘troostprijs’ – waarbij het Nederlandse voetbalteam zelfs een zegetocht maakt bij een tweede plek, vereerden de oude Grieken alleen de kampioen). Niet toevallig ontstonden de grootste inzichten aan de grenzen van deze beschaving waar de vrijheid het grootst was – de invloed van Athene het kleinst – en verschillende culturen samen kwamen. Niet dat de Grieken naar originaliteit streefden – originaliteit is een typisch moderne pathos – maar men probeerde het traditionele verhaal dat iedereen kende net iets beter te vertellen dan de voorganger. Onder meer Nietzsche heeft hierop voortgeborduurd: het is de aard van het leven zelf dat het groter en sterker wil worden, meer macht wil, nieuw terrein wil veroveren, de ander en zichzelf wil domineren, ja uiteindelijk wil het leven zichzelf overwinnen (bij de mens resulterend in de Übermensch) – met daarbij overigens vermenging van culturen als voorwaarde. Ongelijkheid is noodzakelijk voor vooruitgang, zoals de oude Grieken al wisten door bv. de slaven van de democratie uit te sluiten: de publieke sfeer van vrijheid en gelijkheid waarin de mens zichzelf kan ontplooien en tot grote daden kan komen is slechts mogelijk als zij berust op een klasse van slaven die in de levensnoodzakelijkheden voorziet (simpel gezegd: het genie zal niet kunnen scheppen als hij ook zijn eigen was nog moet ophangen). Een volk dat tot grote hoogten wil opstijgen heeft een elite nodig die kan scheppen door niet voor zijn brood te hoeven werken. Eerder nog dan Nietzsche en vele andere schrijvers vanaf eind 19de eeuw (zoals Ortega y Gasset) waarschuwden al De Tocqueville en Kierkegaard voor een tirannie of dominantie van de meerderheid en haar cultuur van de middelmaat, want de massamens was in opkomst vanwege de democratie en de daarmee gepaarde opvatting dat alle mensen gelijk zijn. Om de moderne mens te begrijpen bestudeerde De Tocqueville de Amerikaan, want het Amerika in de Nieuwe Wereld was waarlijk gevestigd op de revolutionaire waarden van de moderne tijd, en De Tocqueville constateerde dat de Amerikaan dus de moderne mens geen boeken meer leest omdat hij meent genoeg te hebben aan zijn eigen waarneming en zijn gezonde verstand. Dat was ook al precies de opvatting van Galilei die uitdrukkelijk alle boekenwijsheid verwierp ten gunste van waarneming en gezond verstand, hetgeen hem (quasi-)revolutionaire inzichten opleverde en hem tot de grondlegger van de moderne wetenschap maakte. Ook de grondlegger van de moderne filosofie, Descartes, is in hoge mate een buitenbeentje in de filosofiegeschiedenis omdat hij nauwelijks kennis had van die filosofiegeschiedenis en de hele traditie terzijde schoof (zo wist hij echt niet dat Augustinus al had betoogd dat als hij in alles wat hij denkt kan zijn misleid, zoals de sceptici betoogden, hij dan toch in ieder geval niet kon zijn misleid in het geloof dat hij zelf bestond omdat hij anders niet kan worden misleid). In feite zien we al bij Cusanus een pleidooi – onder verwijzing naar Socrates – voor de onwetendheid van de ‘idiota’ (leek), welke onwetendheid meer wijsheid bevat dan die in boeken met hun valse pretentie van wijsheid te vinden is.

De moderne tijd laat zo een mix van twee tegengestelde opvattingen zien als gevolg van de Renaissance. Aan de ene kant zien we de opkomst van een middenklasse en daarmee de niet universitair geschoolde ‘idioot’ of autodidact die zich spiegelt aan Socrates en diens (ironische) onwetendheid en die boekenwijsheid verruilt voor gezond verstand en uiteraard de empirie en het experiment, nu onder meer het christelijk geloof in een oppermachtige Schepper de werkelijkheid contingent had gemaakt en de filosofen wel zo veel kunnen beweren maar we toch echt zullen moeten observeren om te ontdekken hoe God deze wereld heeft gemaakt (zelfs volgens de ‘rationalist’ Leibniz heeft God deze wereld gekozen uit oneindig veel mogelijke werelden op grond van zijn goedheid welke oneindige afleiding wij niet kunnen maken met ons eindig verstand). En omdat de transcendentie van God de wereld ontgoddelijkte en die als een machine werd opgevat (de ‘mechanisering van het wereldbeeld’), bloeide de alchemie en andere experimentele wetenschap: volgens Francis Bacon moet de natuur op de pijnbank worden gelegd om zo haar geheimen te ontfutselen. Kenmerkend voor de empirische wetenschap is ook de samenwerking tussen wetenschappers: Francis Bacon leverde niet alleen de filosofie voor de nieuwe wetenschap, maar inspireerde ook tot de oprichting van The Royal Society. In feite vormen sceptische filosofie en empiristische filosofie twee zijden van dezelfde medaille (niet toevallig was de meest invloedrijke scepticus uit de oudheid Sextus Empiricus wiens naam al verraadt dat hij een arts uit de empirische school was): als we de werkelijkheid niet meer kunnen kennen, maar bv. slechts hypothesen kunnen bedenken die we kunnen toetsen en in stand kunnen blijven zolang er geen tegenvoorbeelden worden gevonden, dan wordt wetenschap niet meer zo zeer een ingeving van geniaal inzicht (Aristoteles’ opvatting van ‘intuïtie’) als wel een kwestie van ‘hard labour’ (en ook Bacons minder sceptische methode van inductie is een arbeidsintensief proces). Het is dan ook niet verrassend dat bv. Russell, die met zijn logisch atomisme vooral voortborduurde op de empiristisch-sceptische filosofie van Hume, geloofde dat vooruitgang in de 20ste eeuw nog slechts kon worden bereikt door de samenwerking van wetenschappers in plaats van individuele genieën. Want in ieder geval tot die tijd was de geschiedenis van de filosofie, kunst en wetenschappelijke triomfen wel in hoge mate een geschiedenis van genieën geweest, waarmee we bij de andere en eveneens vruchtbare kant van de Renaissance komen: de grote bloei van de Griekse genie-cultus van de Renaissance die tot diep in de 20ste eeuw doorwerkte: telkens is het wachten op het nieuwe genie – een Descartes, een Kant, een Newton, een Einstein, etc – die onze inzichten en daarmee wetenschap en cultuur weer een stap verder brengt. De rest van de wetenschappers zijn dan slechts de simpele arbeiders die de inzichten van het genie verder uitwerken. De Renaissance bracht een individualisme voort die nog altijd centraal in onze cultuur staat: enerzijds is dit een Aristoteliaans geloof in het particuliere als het ontologisch echte met onder invloed van het christendom een gelijkwaardigheid van alle individuele mensen (want voor God zijn we allemaal gelijk en is elk menselijk leven van oneindige waarde), anderzijds is dit onder invloed van het platonisme en diens mystiek een verering van het genie resp. de heilige die tot het hoogste inzicht opstijgt.

Het scepticisme brengt overigens ook een pragmatische gerichtheid op succes in plaats van waarheid mee: ‘waar is wat werkt’. Je moet immers zaken aannemen om überhaupt te kunnen handelen en als we dan de werkelijkheid zelf niet kunnen kennen dan moeten we leven volgens de overtuigingen die ‘werken’ dus die niet in strijd met de ervaring komen. Ook Hume relativeert zo zijn sceptische conclusie dat er bv. geen causaliteit kan worden aangetoond: voor de praktijk maakt dit niet uit, omdat onze psychologische verbinding tussen twee gebeurtenissen tot een causaal verband voldoende vaak ‘werkt’ om doelmatig te kunnen handelen. Deze sceptisch-empirische wending naar arbeid en succes – tot ‘werken’ in beide opzichten – zou in de moderniteit mede een calvinistische moraal en het kapitalisme stimuleren en ondersteunen. Omdat niemand kan claimen de waarheid ‘in pacht’ te hebben, meent het liberalisme bovendien dat alle meningen in principe gelijkwaardig zijn en net als bij de eveneens relativistische en zelfs subjectivistische sofisten in de oudheid (“de mens is de maat van alle dingen”) kan dan slechts tot politieke beslissingen worden gekomen door enerzijds een wedstrijd wie het sterkst in de het debat is dus wie anderen kan overtuigen (gerichtheid op retorica) en anderzijds een recht van de sterkste zoals democratie (‘meeste stemmen tellen’). Waar het liberalisme individualistisch is – resulterend in een geloof in competitie en een meritocratie – gelooft het socialisme daarentegen dat de mens in wezen een sociaal dier is die slechts kan gedijen met en door middel van anderen.

Wat opvalt bij alle discussies over het onderwijs en zijn hervormingen is dat nooit de vraag wordt gesteld waarom we überhaupt onderwijs zouden moeten hebben, terwijl het antwoord op die vraag kan verhelderen welke hervormingen wel en welke niet aanbevelenswaardig zijn. Maar de verschillende politieke ideologieën geven ook hier verschillende antwoorden. Het conservatisme ziet het onderwijs als een differentiatiesysteem: zo dient bv. de universiteit de cultureel-intellectuele elite – Plato’s filosoof-koning – voort te brengen die de natie kan leiden of de mensheid haar grootste werken kan schenken. Het liberalisme ziet het onderwijs primair als beroepsopleiding – het onderwijs levert bedrijven het voor het werk gekwalificeerd personeel – en in onze huidige wereld waarin het accent is verschoven van landbouw via industrie naar dienstverlening geeft dit een ‘kenniseconomie’: de bedrijven hebben geen behoefte meer aan sterke mannen die zwaar lichamelijk arbeid kunnen verrichten maar aan kantoorpersoneel dat met een computer over weg kan. Met de prestatiemaatschappij heeft de kenniseconomie – contra wat Cuijpers gelooft – niets te maken. Overigens, mogelijk is die kenniseconomie alweer achterhaald omdat volgens sommigen kunstmatige intelligentie weldra precies dat kantoorwerk kan gaan overnemen zoals in de 19de eeuw machines het lichamelijk werk hebben overgenomen. Het sociaal-liberalisme ziet onderwijs als het mogelijk maken van zelfontplooiing van elk individu (hetgeen overigens niet hoeft te botsen met de conservatieve of klassiek-liberale doelstelling). Het socialisme ziet onderwijs als middel tot emancipatie en verheffing van de (arbeiders)massa.

Nu is het duidelijk dat Cuijpers een socialist is: onderwijs dient de minderbegaafden te helpen om tot een succesvol leven te komen, zodat de zorg niet naar de meest getalenteerde leerlingen (want die komen er toch wel) maar naar de zwakste leerlingen moet gaan die hun weg naar een waardig bestaan anders misschien niet vinden. Maar het onderwijs in Nederland is al zeer socialistisch althans calvinistisch: verreweg de meeste zorg gaat al uit naar de zwakste leerlingen en zelfs het perverse subsidiesysteem op hogescholen en universiteiten is erop gericht om zo veel mogelijk – dus vooral ook de zwakke studenten – een diploma te geven. Weliswaar belooft de politiek hierin verandering – waarbij ook extra aandacht aan de talenten wordt gegeven zodat die zich beter of nog verder kunnen ontwikkelen – maar daartoe zijn nog maar enkele initiatieven ontwikkeld, zoals de honoursprogramma’s op de universiteiten, en staat die ontwikkeling nog in haar kinderschoenen. Sowieso heeft de zwakke student daar geen last van, want nog altijd verlagen de universiteiten hun normen (zo mogen studenten tegenwoordig bv. een 5 voor het ene vak compenseren met een 7 voor een ander vak, waardoor als de tandarts bij mij een kies moet trekken ik maar hoop dat hij geen 5 voor kiestrekken had) om alsmaar meer studenten aan te trekken en een diploma te geven. Zoals mijn Hegel-docent altijd schamperde is de hedendaagse student aan de universiteit nog veel dommer dan de gemiddelde gymnasiumleerling in de 19de eeuw (ik neem aan dat hij dat geloofde omdat Hegel zelf diens Phänomenologie aan gymnasiumleerlingen doceerde terwijl hooguit de meest briljante student van onze tijd iets van dat werk begrijpt). De ironie is dat men de drempel heeft willen verlagen voor de ‘arbeiderskinderen’ (en ten heden dage voor de allochtonen), dus vanuit het socialistische ideaal van emancipatie, maar het effect is echter vooral geweest dat de rijke milieus niet alleen maar slimme Geert-Jan maar ook domme Margriet op de universiteit kon laten afstuderen: de arbeider en de allochtoon kunnen daarentegen nog steeds zeer moeilijk de universiteit vinden. En dat terwijl de normen tegenwoordig zo laag zijn en de financiële prikkel om toch maar iedereen een diploma te geven zo groot, dat iedereen een bul kan halen: de ervaring leert dat iedereen – zelfs de dommerik die niets van de stof heeft begrepen – die zijn huiswerk heeft gemaakt altijd wel een zesje voor de moeite krijgt met geen cijfer (en dus geen diploma) slechts als je zelfs te lui bent om iets op papier te zetten. Universiteiten moeten bezuinigen en snijden vooral in het fundamentele onderzoek dat immers peperduur is en niet direct ‘rendement’ in de vorm van een in de markt te zetten product levert, terwijl dat onderzoek het hart van de wetenschap vormt. Wetenschappers resp. universiteiten worden beoordeeld op het aantal gepubliceerde resp. geciteerde artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, hetgeen meebrengt dat wetenschappers als een dolle publiceren, ook als het gepubliceerde nauwelijks relevant is (of zelfs bij elkaar verzonnen of geplagieerd is: wat maakt het ook uit want de meeste artikelen worden niet eens gelezen). En een tweede studie moet de student zelf betalen hetgeen voor de meesten onbetaalbaar is. Het onderzoek en het onderwijs is aldus oppervlakkig geworden want gericht op snel resultaat op alle fronten: zelfs op de universiteiten is zo de cultuur van excellentie vernietigd ten gunste van de beruchte ‘zesjescultuur’ (ook voor de universiteiten zelf) want de productiedrang – zo veel mogelijk diploma’s en publicaties – werkt bevorderend voor de kwantiteit ten koste van de kwaliteit: dat maakt het rendementsdenken funest voor de universiteiten.

De aanloop op de universiteit is bovendien zo groot geworden – met honderden studenten in de collegebanken bij de populairdere studies – dat men kan stellen dat de massamens de collegebanken heeft bestormd. En vanwege de karige studiefinanciering ervaart die massamens zelf een sterke financiële prikkel om zo snel mogelijk af te studeren terwijl het een baantje moet nemen om de kamerhuur te kunnen betalen: veel tijd om te studeren en te excelleren is er ook niet meer zodat er nog slechts voor het zesje wordt gestudeerd. Van Cuijpers prestatiemaatschappij waarin iedereen moet uitblinken is dan ook in de verste weg geen sprake, integendeel: er is een race to the bottom gaande qua cultuur waarbij de massamens en diens norm van de middelmaat (de ‘zesjescultuur’) de macht heeft gegrepen. Ik denk dat het een goede zaak zou zijn als in ieder geval een aantal universiteiten de drempel weer gaat verhogen en alleen briljante en gemotiveerde studenten toelaat om een nieuwe elite voort te brengen die kennis van zaken heeft en voorbij de eigen tijd, cultuur en ideologie kan denken (met wellicht een verplichte bachelor vol wiskunde en filosofie), min of meer zoals Humboldt diens beroemde ‘Bildung’ bedoelde, zodat we van de huidige, beschamende ‘zesjescultuur’ af kunnen komen. Overigens, Humboldt gaf ook nadruk aan de studie van geschiedenis voor de elite en wellicht niet ten onrechte. Dat ik zo graag de filosofie- of cultuurgeschiedenis vertel, heeft te maken met de revolutionaire en transcendente kracht van geschiedenis (naast de inherente filosofische drang om altijd naar de oorsprong der dingen te vragen die zo op metafysische wijze het heden kan verklaren): de intellectueel dient boven zijn eigen tijd, plaats en sociale klasse te staan en de geschiedenis biedt de kans een andere wereld in te gaan die zo tevens als alternatief voor de huidige maatschappij kan gelden. De studie van de geschiedenis is geestverruimend: in de woorden van Kuhn kan een studie van bv. Aristoteles’ wereldbeeld een heuse paradigma-shift opleveren (Kuhn beschrijft hoe hij tot zijn wetenschapsfilosofie kwam door zijn studie van Aristoteles: op een gegeven moment viel het kwartje en kon hij de wereld door Aristoteles’ ogen zien hetgeen een ervaring is zoals met de bekende dubbelzinnige beelden van de Gestalt-psychologie). Zo gaf de herontdekking van veel antieke werken aan het einde van de middeleeuwen een enorme revolutionaire kracht omdat die antieke wereld een alternatief en dus ontsnapping aan de middeleeuwse wereld bood, resulterend in de Renaissance c.q. de geboorte van de moderne wereld (bv. bij Machiavelli ziet men dat heel sterk). Net als Joop.nl en andere socialisten houd ik ervan om zaken op zijn kop te zetten – vanuit de alternatieven die de geschiedenis biedt – maar in tegenstelling tot de socialisten doe ik dat met een zekere ironie: ik geef slechts een alternatief, een hopelijk interessante mogelijkheid zonder de waarheid te claimen en het andere te ontkennen. Intellectualiteit – waarvoor de universiteit moet opleiden – is bovenal een vermogen tot zelftranscendentie waardoor je elke opvatting die je op stoïcijnse wijze tot je overtuiging maakt en een plaats binnen je eigen systeem geeft ook weer dialectisch opheft in een (telkens) hoger inzicht.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen